haartransplantatie voor mannen

De invloed van haarverlies op het zelfvertrouwen

Fysiologie

De gebruikelijke indeling van de haartypen:


Laguno-haar:
Lang, dun zijde-achtig haar zonder pigment, dat gewoonlijk in de baarmoeder wordt afgestoten, maar soms nog op de huid van de pasgeborene aanwezig is;


Terminaalhaar:
dik, stug haar, van verschillende lengte, meestal gepigmenteerd.


Vellus-haar:
dun, kort haar zonder pigment;

 

https://hasci.nl/00-04-vellus-terminal-hair/
Figuur 1: een vergelijking tussen vellus  en terminaal haar

 

 

Naast bovenstaande indeling bestaan er drie verschillende soorten terminaal haar op het lichaam.

1. Groei is onafhankelijk van het mannelijk hormoon.

Voorbeelden :

Achterzijde van de hoofdhuid
Wenkbrauwen
Wimpers
|Neusharen
Oorharen

2. Groei is afhankelijk van het mannelijk hormoon Testosteron, en in mindere mate van het mannelijk hormoon Dihydrotestosteron.

Voorbeelden:

Okselhaar
Schaamhaar

3. Groei is afhankelijk van het mannelijk hormoon Dihydrotestosteron, en in mindere mate van het mannelijk hormoon Testosteron.

Voorbeelden:
Baardstreek
Haar op de ledematen
Borstharen en haren op de rug

 

De normale haarddichtheid bedraagt ±1000 haren per vierkante centimeter bij baby’s en de dichtheid verminderd naar 250 haren bij 50 jarigen. Het totale aantal haren op de hoofdhuid varieert tussen 90.000 en 150.000 haren. Dit verschilt per haarkleur.

Blond haar: ±150.000 haren

Bruin haar: ±110.000 haren

Zwart haar: ±100.000 haren

Rood haar: ± 90.000 haren

https://hasci.nl/infograph-01-hair-count-by-colour/

 De structuur van het haar kan worden worden onderverdeeld in verschillende structuren (van binnen naar buiten) zoals te zien op onderstaande afbeelding 1: 

 

Afbeelding 1: doorsnede van een haarfolikkel

 

 (A) Medulla: Merg (zowel in het inwendige als uitwendige haar aanwezig)

 

(B) Cortex: Vezellaag (zowel in het inwendige als uitwendige haar aanwezig)

 

(C) Cuticula: Schubbenlaag (zowel in het inwendige als uitwendige haar aanwezig)

 

(D) Inner root sheath: Binnenste haarwortelschede (alleen in het inwendige haar aanwezig, deel van haarfollikel)

 

(E) Outer root sheath: Buitenste haarwortelschede (alleen in het inwendige haar aanwezig, deel van haarfollikel)

Er zijn 2 belangrijke gebieden in het haarfollikel die op afbeelding 2 worden getoond:

 

(A) Bulge-area: Deel van de buitenste haarwortelschede ter hoogte van de talgklier. (alleen in het inwendige haar aanwezig, deel van haarfollikel)

 

(B) Dermal papilla: Haarpapil, met de twee haarvaatjes (Alleen aan de onderzijde van het inwendige haar aanwezig, deel van haarfollikel). Het onderste deel van een haar wordt ook wel haarbol of haarknop genoemd.

 

Logiditudinal cross section van een haarfolikkel

Afbeelding 3: Een longitudinale dwarsdoorsnede van een haarzakje

 

Verder zijn er zogenaamde haar-adnexen (=aanhangsels), zoals het haarspiertje en talgkliertje. Het haarspiertje zorgt ervoor dat onder bepaalde omstandigheden, zoals bij kou, het haar recht overeind blijft staan. Het gevolg is kippenvel. Het talgkliertje is verantwoordelijk voor de vetgehalte van het haar en de huid.

 

 

 

 

Met haar samenstelling bedoelen wij de samenstelling van de verschillende stoffen in het haar.
Haar bestaat uit:

 

eiwitten (±85%)

 

water (±12%)

 

vetten (±3%)

 

spoorelementen (±1%) zoals Zink, Lood, Koper en Selenium.

 

Het watergehalte kan met het dubbele toenemen, wanneer het haar in water wordt gelegd. Verder is het watergehalte afhankelijk van de luchtvochtigheidsgraad, vet en haarstructuur.

Een haar heeft een cyclus, welke bestaat uit drie fasen.

De eerste fase is de anagene of groeiende fase.
Deze fase kan variëren van een maand (wenkbrauwen) tot wel 12 jaar (hoofdhuid), afhankelijk van de locatie. Het verschil in levensduur verklaart direct het verschil in lengte op de verschillende gebieden op het lichaam (Zie schema).

Daarna volgt de katagene of overgangs- fase.
Het haar groeit niet meer in deze fase en begint af te sterven.

Tenslotte belandt het haar in een telogene of rust fase.
Deze fase duurt ongeveer 3 tot 6 maanden. Doordat deze fase zolang duurt, kan men verklaren dat haaruitval pas 3 tot 6 maanden nadat er iets is gebeurt, plaatsvindt.

fig5-hair-cycle

Afhankelijk van de locatie groeit het haar gemiddeld van 0,1 mm/dag (lichaamsbeharing) tot wel 1mm/dag (baardstreek).
Tussen de verschillende individuen kunnen hierin echter grote verschillen bestaan.

Dit wordt veroorzaakt door de genetische eigenschappen van het individu.

Typen haar, haarcyclus, levensduur

table-01-characteristics-of-hair

De kleur van het haar wordt bepaald door de pigmentproducerende cellen. Er bestaan drie soorten pigment, te weten:

Eumelanine = blond/lichtbruin/donkerbruin
Phaeomelanine = rood/kopergoud /kastanjebruin
Trichosiderine = IJzerhoudende pigmentstof en is rood

De samenstelling en productie van de verschillende soorten pigment is afhankelijk van de genetische eigenschappen, waardoor de kleur van het haar kan variëren van wit/hoogblond tot gitzwart.

Gedurende het gehele leven van de mens, kan de productie en samenstelling van het pigment variëren, waardoor de kans bestaat dat men hoogblond haar heeft gedurende de kinderjaren, op latere leeftijd donkerbruin, om vervolgens grijs en later wit haar te krijgen.

De vorm van het haar, steil, golvend of krullend, wordt bepaald door de huid tussen het haarwortelzakje en oppervlakte van de huid.

Wanneer in dit stuk de haarwortelkanalen gebogen zijn, kan dit resulteren in golvend of krullend haar. In bepaalde periodes zoals de kinderjaren en puberteit, kan de flexibiliteit en stugheid van de hoofdhuid verschillen ten opzichte van andere levensperioden.
Hierdoor kan het voorkomen, dat men gedurende de kinderjaren golvend haar heeft, gedurende de puberteit stijl haar en wanneer men volwassen is, stijl haar.

De haarelasticiteit is waarschijnlijk de belangrijkste mechanische eigenschap van het haar. Doordat het haar elastisch is, kan het haar in zijn oorspronkelijke vorm, volume en lengte terugkeren, nadat krachten zoals trekkrachten, buigkrachten, compressiekrachten en torsie¬krachten op het haar zijn losgelaten.
Met trekkrachten wordt bedoeld “krachten waardoor de lengte van het haar wordt vergroot”.
Met buigkrachten wordt bedoeld “krachten die het haar buigen”.
Met compressiekrachten wordt bedoeld “krachten waardoor het haar ineengedrukt wordt”. Met torsiekrachten wordt bedoeld “ krachten waardoor het haar gedraaid wordt”.

Elke kracht heeft een eigen formule om de krachten te definiëren. Echter, de onderzochte kracht is de trekkracht van het haar. De meest gebruikte formule is de formule volgens Young :
FL
——- dynes per unit area (cm2)
al

F = Kracht per unit gebied van een bepaalde afstand.
a = Unit gebied van een bepaalde afstand.
L = Lengte van het haar voor het trekken.
l = Lengte van het haar na het trekken.
Met deze formule kan worden uitgerekend, hoeveel kracht er nodig is om een haar een bepaal¬de afstand uit te trekken.

Uiteraard is de kracht die uitgeoefend kan worden op het haar, zodat het haar in de oorspronkelijke staat terugkomt beperkt.

 

Bij normaal droog haar kan het haar ongeveer 30% uit elkaar worden getrokken en weer volledig in de oorspronkelijke lengte terugkeren. Tussen ±30% en 70% zal het haar niet breken, maar zal niet meer in de oorspronkelijke lengte terug¬keren en het haar zal dus langer blijven.

 

Wanneer het haar meer dan 80% uit elkaar wordt getrokken zal het haar breken.
De elasticiteit van het haar hangt af van de vochtigheid van het haar. Hoe vochtiger, des te elastischer het haar.
Ook de haarddikte kan de elasticiteit van het haar beïnvloeden. Hoe dunner het haar, des te elastischer het haar.

 

Haarbehandelingen zoals verven, blonderen en permanenten kunnen de elasticiteit van het haar tot wel 25% verminderen. Ook zonlicht kan de elasticiteit van het haar negatief beïnvloeden.

De glans van het haar wordt bepaald door het vet (talg)gehalte van de buitenste laag van het haar. Wanneer het haar wordt beschadigd door bijvoorbeeld permanenten, wordt de cuticula of schubbenlaag beschadigd, waardoor het haar zijn glans kan verliezen.